Het oog aan de hemel / Philip K. Dick

Jack Hamilton en zijn vrouw Masha, en nog een handvol andere burgers, krijgen een rondleiding bij het Bevatron als daarmee een ongeluk gebeurt, waardoor zij allemaal bewusteloos neervallen. Als Jack bijkomt, voelt de wereld vreemd. Al snel merken ze dat hij en de rest van het gezelschap, zich bevinden in een wereld waarin religie de plaats van techniek heeft ingenomen. Letterlijk: door te geloven, gebeuren er allerlei dingen. Langzaam dringt het tot Jack door dat zij zich bevinden in de droomwereld van één van hen en dat zij in werkelijkheid nog steeds bewusteloos op de vloer van het Bevatron liggen. Maar voordat het lukt om te ontsnappen naar de werkelijkheid, komen ze eerst nog terecht in de gedachte werelden van een paar andere medereizigers.

“Met de snoepautomaat is ‘t hetzelfde.” Laws bracht hem erheen. “Er komen repen uit, maar er zitten er géen in. Enkel de etalage-wikkels. Duidelijk? Gesnapt?”
“Neen.”
“Heb je dan nooit over mirakels gelzen? In de woestijn zorgden die voor voedsel en water; dat was dáar het belangrijkste.”
“O,” zei Hamilton. “Ja, dat klopt.”
“Deze machines werken volgens het grondprincipe der miraculeuze vermenigvuldiging.” Uit zijn zak haalde Laws een schroevedraaier, knielde en begon de versnaperingenautomaat te ontmantelen.
“Laat ík je vertellen, Jack, dat dit de grootste ontdekking aller tijden is. Het betekent een omwenteling van de hele moderne industrie. De hele conceptie van machinale fabricatie, de hele montage aan de lopende band…” Laws maakte een wuivende beweging. “Kapot. Finis! Weg met het verbruik van grondstoffen. Weg ons depressieve arbeidsleger. Weg met de smoezelige bonzende fabrieken. In deze metalen kast ligt hèt grote geheim.”

Dit boek is uit 1957 en speelt zich ook in die tijd af. De angst voor de communisten, maar ook de rassensituatie, spelen een flinke rol in het boek, duidelijk met emancipatoire ideeën. Voor wat vrouwen betreft, ben ik daar nog niet zo zeker van, overigens; die komen er nogal bekaaid vanaf.

Boekenorigami van Isaac G. Salazar

Spotgaai / Suzanne Collins

(Hongerspelen 3)

Katniss is uit de arena van haar tweede hongerspelen bevrijdt door de rebellen, en meegenomen naar District 13, dat niet alleen al 75 jaar heeft overleefd maar zelfs over wapens beschikt. Peeta is in handen van het Capitool en president Snow. De president van District 13 wil dat Katniss haar rol van spotgaai op zich neemt om de revolutie aan te wakkeren. Katniss vertrouwt president Coin niet helemaal; ze vermoedt dat die zich, net als het Capitool, zou ontdoen van mensen die iets willen dat afwijkt van haar plannen. Maar omdat ze als Spotgaai eisen kan stellen, bijvoorbeeld voor de veiligheid van Peeta, gaat ze accoord. En als ze in de districten komt en ziet wat daar door de militairen van het Capitool is aangericht, wil ze ook strijden voor verandering in Panem. Ze blijft verscheurd door de situatie met Gale en Peeta. Gale is haar trouwe vriend, en ook rebel, zelfs nog fanatieker dan zij. Maar de gedachte dat het Capitool Peeta laat boeten voor haar optreden als Spotgaai, laat haar bijna opgeven.

Zelfs in mijn verdoofde morflingtoestand gaat er nog een steek van pijn door me heen. Zijn woorden herinneren me eraan dat zijn wreedheid geen grenzen kent. En dat hij tot de allerlaatste snik zal blijven proberen me kapot te krijgen.
‘Zo zonde, zo zinloos. Iedereen kon zien dat het spel toen al uit was. Ik stond zelfs op het punt om een officiële capitulatieverklaring uit te vaardigen toen ze die parachutes naar beneden lieten vallen.’ Hij kijkt me strak aan, knippert zelfs niet met zijn ogen, om maar geen seconde van mijn reactie te hoeven missen. Maar het slaat nergens op wat hij zegt. Toen zíj die parachutes naar beneden lieten vallen? ‘Wat, je denkt toch niet echt dat ik daar opdracht toe gegeven heb, hè? Ten eerste lijkt het me duidelijk dat als ik een hovercraft tot mijn beschikking had gehad, ik die wel gebruikt zou hebben om te ontsnappen, maar goed. Afgezien daarvan — waarom zou ik zoiets doen? We weten allebei dat ik er geen problemen mee heb om kinderen te vermoorden, maar niet in het wilde weg. Als ik iemand vermoord doe ik dat om duidelijke redenen. En er was geen reden waarom ik een afzetting vol Capitoolkinderen zou willen vermoorden. Geen enkele.’
Ik vraag me af of zijn volgende hoestbui nep is, zodat ik de tijd krijg om zijn woorden te verwerken. Hij liegt. Natuurlijk liegt hij. Maar tegelijkertijd doet iets zijn best zich aan de leugen te ontworstelen.

Het einde van zo’n trilogie is in zekere zin altijd teleurstellend, al is het maar omdat het dan is afgelopen. In dit geval is de strijd ten einde, en het doel bereikt, maar de schrijver maakt heel goed duidelijk dat de prijs daarvoor erg hoog is geweest. Katniss en Peeta blijven jonge mensen die voor de rest van hun leven zijn getekend door wat ze hebben meegemaakt en wat hun is aangedaan. Geen triomfantelijke overwinning van de helden. Wat ik jammer vind in dit soort gevallen, is dat in de hectiek en de vaart van de eindstrijd, de afwikkeling van de relaties tussen de personages — die ook drie boeken lang zijn opgebouwd — wat achterblijft.
Desalwelteplus: erg fijn leesvoer.

An Arsonist’s Guide to Writers’ Homes in New England / Brock Clarke

Sam Pulsifer heeft als 18-jarige, per ongeluk, het huis van Emily Dickinson in brand gestoken, waarbij twee mensen zijn omgekomen. Als hij na 10 jaar uit de gevangenis komt, gaat hij studeren, trouwt, krijgt kinderen, en al die tijd vertelt hij niemand, ook zijn vrouw niet, over zijn verleden. Dan staat opeens de zoon van het bij de brand omgekomen echtpaar op de stoep — hij wil Sam laten boeten. Hij zorgt dat Sam’s vrouw denkt dat Sam vreemdgaat en hem de deur uitgooit (en omdat Sam nog steeds de waarheid niet durft te vertellen, accepteert hij die andere leugen). Hij gaat terug naar zijn ouderlijk huis, waar hij tot zijn schrik ontdekt dat zijn vader en moeder een drankprobleem hebben, en misschien niet alleen dat. En dan worden in vlotte opeenvolging meer huizen van schrijvers in brand gestoken. Sam heeft het niet gedaan, maar weet dat het op één of andere manier met hem te maken heeft, maar bij zijn pogingen om te ontdekken wie de brandstichter is, maakt hij zichzelf opnieuw verdacht.

The only job I knew anything about was being a packaging scientist. But I remember my father’s initial reaction to my job — “No greatness in tennisball cans” — and I suspected the Writer-in-Residence’s reaction would be the same or worse. And so out of panic and with nothing else to say, I said, “Or suppose this young man was a bumbler and he accidentally…,” and then I basically told the story I’ve been telling you. It was a much shorter version, but I included most of the major events and characters: my mother’s stories and the burning houses and the dead Colemans and their vengeful son and my beautiful wife and children and my drunk parents and their mysterious living situation and the letters and the bond analysts. It’s true the story didn’t have a proper ending — I only told the story up to the Mark Twain House fire and then said, “To be continued” — but I tried to keep things close to the facts. In fact, the only thing I made up about the young man was that he played a mean twelve-string guitar, because I’d always wanted to play guitar and because twelve strings seemed better than six, since there were more of them.
“What do you think?” I asked after I was done. In truth I was very pleased with myself and with my story and with all that had happened in it. Because you can’t help being impressed with your own story. Because if you’re not impressed with your own story, then who will be? “What would you say about
that guy?” I asked.
“I’d say he doesn’t sound like a real person,” the Writer-in-Residence said.

En ik ben het helemaal met hem eens. Ik vond eigenlijk een snertboek. Het was op mijn bieblijst gekomen op basis van de titel, en dat vind ik achteraf misschien wel het beste deel van het boek. De hoofdpersoon is zo onnozel, dat het bijna niet te geloven is. Ik heb me serieus zitten afvragen of-ie misschien autistisch was, of geschreven door een 16-jarige. Maar ja, als hij zich gewoon had gedragen als een normale volwassene, met meer dan anderhalve breincel, dan was er geen boek geweest.

Vlammen / Suzanne Collins

(De Hongerspelen 2)

Als winnaars/overlevers van de Hongerspelen moeten Katniss en Peeta nu op zegetoer langs alle districten. President Snow herinnert Katniss er nog eens aan, met bedreiging van haar familie en Gale, dat zij ervoor verantwoordelijk is om geen onlusten te laten oplaaien. Katniss weet niet hoe ze dit moet doen, ze wil best doen alsof ze dolverliefd is op Peeta en dat haar laatste daad in de arena alleen daardoor werd ingegeven, en niet uit verzet, maar is dat genoeg? Onderweg blijkt al van niet. In District 12, waar de vredebewakers gewoon leven met de bevolking, valt het met de onderdrukking nog wel mee, maar andere districten zijn er slechter aan toe, en is de weerstand tegen het Capitool groter. Als Katniss en Peeta terugkomen, is er in hun district ook een en ander verslechterd: Katniss beseft dat zij het Capitool nooit tevreden had kunnen stellen, wat ze ook had gedaan. Dan komt de aankondiging van de Hongerspelen van het nieuwe jaar. Het is 75 jaar sinds de Opstand in district 13, en dus wordt dit weer een kwartskwelling, Hongerspelen met een extra draai eraan. [SPOILERALERT] En laat het nou staan geschreven, toevallig, dat bij de 3e kwartskwelling de deelnemers worden geselecteerd uit de oud-winnaars! Katniss en Peeta moeten opnieuw de arena in. Maar het blijkt dat er onder de deelnemers, en de bevolking in het algemeen, al meer mensen zijn die streven naar het omverwerpen van het regime. Hun belangrijkste doel is het in leven houden van Katniss, die als de ‘spotgaai’ — of ze dat nou wil of niet — het brandpunt is geworden van het verzet.

Hij geeft me een kus op mijn voorhoofd en doet een stap achteruit terwijl de glazen buis me van bovenaf omhult.
‘Dank je wel,’ zeg ik, hoewel hij me waarschijnlijk niet meer kan horen. Ik steek mijn kin in de lucht en houd mijn hoofd omhoog zoals hij altijd zegt, en wacht tot de plaat zal stijgen. Maar dat gebeurt niet. En dan nog steeds niet.
Ik kijk naar Cinna en trek vragend mijn wenkbrauwen op. Hij schudt alleen even kort met zijn hoofd, net zo verbouwereerd als ik. Waarom duurt dit zolang?
Plotseling vliegt de deur achter hem open en stormen er drie vredebewakers de kamer in. Twee klemmen zijn armen achter zijn rug en doen hem handboeien om terwijl de derde hem zo hard tegen zijn slaap slaat dat hij op zijn knieën valt. Maar ze blijven maar op hem in beuken, met handschoenen met ijzeren punten erop die diepe wonden maken in zijn gezicht en lichaam. Ik gil de longen uit mijn lijf en bonk op het onbreekbare glas, maar ik kan niet naar hem toe. De vredebewakers doen alsof ik lucht ben en slepen Cinna’s slappe lichaam de kamer uit. Dan zie ik alleen nog de bloedvegen op de grond.
Misselijk en doodsbang voel ik hoe de plaat omhooggaat. Ik leun nog steeds tegen het glas als de wind mijn haar doet opwaaien en ik dwing mezelf om rechtop te gaan staan. Net op tijd, want de buis verdwijnt en dan sta ik onbeschut in de arena.

Soms is het toch wel gemakkelijk om collega’s te hebben die niet bij de bieb lenen, maar boeken kopen. In de bieb was dit boek nog lang niet beschikbaar geweest. Weer in één ruk uitgelezen — zo’n boek waar je absoluut niet aan moet beginnen als je niet een aantal uren achter elkaar te besteden hebt. Ik kan niet wachten op deel 3 Spotgaai en gelukkig hoeft dat ook niet, want als het goed is, krijg ik dat morgen te leen.