In de loop van iets meer dan een week tijd, nemen de verstandelijke vermogens van de mensen enorm toe. Blijkbaar heeft de Aarde na miljoenen jaren een krachteveld echter zich gelaten, dat electrische geleiding dempte. Nu gaat de geleiding, vooral in de neuronen van de hersenschor, op volle toeren. Een IQ van 500 — als die schaal nog zin heeft — is geen uitzondering. De maatschappij raakt ontwricht. Grote aantallen mensen kunnen het niet aan, dat ze opeens worden geconfronteerd, in hun eigen geest, met allerlei existentiële vragen. Anderen kunnen het saaie, geestdodende werk van voor de verandering niet meer aan en lopen weg om iets leukers te gaan doen. Peter Corinth heeft geluk: hij is wetenschapper en hoewel de vragen waar hij zich eerst mee bezighield nu dodelijk simpel leken, openen zijn nieuwe mogelijkheden ook weer nieuwe perspectieven voor onderzoek, onder andere in de ruimte. Zijn vrouw Sheila kan de verandering niet goed aan; zij blijft terugverlangen naar vroeger, toen alles nog goed geregeld was en zij begreep wat haar plek in de samenleving was en wat er van haar werd verwacht. Zelfs de taal verandert, nu iedereen aan een half woord meer dan genoeg heeft.
De verhaallijnen van de verschillende personages vormen meer een collage dan een echte spanningsboog. Er wordt vooral geschets wat voor consequenties de verandering heeft, op allerlei vlakken, en hoe de mensheid er mee om probeert te gaan, aan de hand van de belevenissen van een aantal personages, van wie een aantal maar één keer in het boek voorkomen. Daardoor vond ik het uiteindelijk een beetje teleurstellend.
‘Ik zei… wat zei ik eigenlijk?’ Corinth voelde zijn hart van paniek bonzen. Hij had drie of vier woorden gezegd, een paar tekens gemaakt, maar Lewis had hem niet begrepen.
Natuurlijk had hij dat niet! Ze waren niet meer zo spits als ze geweest waren, geen van tweeën.
Corinth had het gevoel of hij een houten tong in zijn mond had. Langzaam, in gewone taal, herhaalde hij wat hij bedoelde.
‘O, ja, ja.’ Lewis knikte, te ver heen om meer te kunnen zeggen.
Corinths hersens hadden een kleverig gevoel. Er was geen ander woord voor. Hij voelde zich spiraalsgewijs wegzakken in duisternis, hij kon niet denken. Met elke seconde die verstreek, tuimelde hij dieper in de richting van de animale mens. Dit besef trof hem als een mokerslag. Ze waren zonder het in de gaten te hebben het veld ingeraakt dat de aarde had verlaten. Het vertraagde hen, ze keerden terug naar wat ze geweest waren vóór de verandering. Dieper en dieper snelde het schip in de steeds dikker wordende brij en zij beschikten niet langer over het verstand om het te besturen.
Hoe zulke slimme mensen dat probleem niet aan hadden zien komen, snap ik niet: ik zag ‘m al van verre naderen… Maar goed, ik had het voordeel dat ik wist dat het een boek was, binnen de ongewijzigde wetten van het genre.