The Physick Book of Deliverance Dane

Connie Goodman heeft haar laatste examen als graduate student geschiedenis afgelegd en kan gaan beginnen aan haar dissertatie. Ze heeft de hele zomer om na te denken over het onderwerp en om een interessante, nieuwe bron te vinden om te bestuderen. Ondertussen moet ze ook nog het vervallen oude huis van haar lang geleden gestorven grootmoeder opruimen om te verkopen. Tijdens haar eerste avond in het huis vindt ze in een oude Bijbel een sleutel met daarin een strookje papier waarop ‘Deliverance Dane’ staat. Na wat rondspeuren in de archieven van Marblehead en het nabijgelegen Salem, vindt Connie — geholpen door restaurateur Sam — een spoor: Deliverance Dane is in 1692 geëxcomuniceerd — hoogst waarschijnlijk omdat zij een beklaagde was in het heksengerecht. In de officiële lijst van bezittingen wordt verwezen naar een ‘receipt book’, dat blijkbaar zo bijzonder was dat het, naast de Bijbel, expliciet werd genoemd. Connie beseft dat dit weleens een boek met recepten, of spreuken, zou kunnen zijn. Een geweldig onderwerp voor haar dissertatie! Haar begeleider is ook erg enthousiast; zo enthousiast zelfs, dat als Connie maar zeer langzaam vordert bij haar speurtocht, hij wel erg ver gaat in het uitoefenen van druk — alsof het hem niet alleen gaat om haar succes, maar om het boek zelf.

So Connie had let the name drift away from her, putting it away with the same finality that she put away her shoes as they were outgrown year after year. It was so thoroughly discarded that she now rediscovered, with a dawning sense of wonder, that the word had a meaning beyond its function as a name. Constance. Abidingness, Fealty. The act of remaining steadfast. A state of being, or a condition to which one might aspire. Like grace.
Like deliverance.
‘Oh, my God,’ she wispered, eyes widening with sudden certainty. But of course. And Sophia — Greek for wisdom, Liz had said. Mercy. Prudence. Patience. Temperance, whose placid mid-nineteenth-century face watched her from the portrait in Granna’s living room, a silent link with the line of women she was chasing in the past. Their last names morphed over marriages and time, but the first names traced a genealogy that was undeniable.
Connie stared with wonder down into her palm, into the little fleshy hollow where her will had somehow manifested itself in painful, prickling blue-white light as she consulted the sieve and scissors, or placed a fingertip on Sam’s forehead to soothe his suffering body.

De auteur claimt dat zij in dit boek een hele nieuwe invalshoek heeft: wat als er nou eens echt heksen waren, en niet alleen massa-hysterie? Ze zou Orson Scott Card’s Alvin Maker reeks eens moeten lezen, die heeft dat jaren geleden al gedaan. Het lijkt mij ook vreemd dat historici de heksenpaniek van Salem altijd alleen maar hebben gezien als metaforisch voor bepaalde ontwikkelingen in de maatschappij van die tijd, en dat het een baanbrekend idee is dat mensen in die tijd echt geloofden in hekserij. Dat leek mij, eerlijk gezegd, nogal voor de hand liggend. Misschien moet je daar Europeaan voor zijn… Wat ik me voor dit boek nooit had gerealiseerd, echter, is dat de situatie in Salem heel uitzonderlijk is geweest; een schandvlek, waarover men pas decennia later durfde na te denken om er verklaringen voor te vinden. Er werden hier en daar wel eens heksen verdacht en terechtgesteld, maar nooit op een schaal zoals de gerechten van 1692.