De Beer
De jonge weduwe Popova vindt landeigenaar Smirnov, die een achterstallige betaling komt opeisen, maar een ongelikte beer. Hij vindt ‘t eigenlijk wel leuk — een vrouw met pit.
POPOVA: Ongelikte beer! Ongelikte beer!
SMIRNOV: We moeten eigenlijk maar eens af van het vooroordeel dat alleen mannen voor beledigingen boeten! Gelijke rechten zijn gelijke rechten verdomme! Duelleren!
POPOVA: U wilt duelleren? Graag!
SMIRNOV: Nu meteen!
POPOVA: Nu meteen. Ik heb nog pistolen van mijn man liggen… Ik ga ze meteen halen. (Loopt haastig weg maar keert op haar schreden terug) Ik zal u maar wat graag een kogel door uw boerse kop jagen! Verdomme! (Af)
SMIRNOV: Ik schiet haar overhoop! Ik ben geen klein kind, geen sentimentele kwezel, voor mij bestaat er geen zwak geslacht.
LOEKA: M’n beste meneer… (Valt op zijn knieĆ«n) Doe me een genoegen, heb medelijden met een oude man, ga weg hier! Jaagt een mens de stuipen op het lijf en wil nog gaan duelleren ook!
SMIRNOV: Duelleren, dat is pas gelijke rechten en emancipatie! Hier zijn beide geslachten gelijk. Ik schiet haar overhoop uit principe! Maar wat een vrouw! (Bauwt haar na) “Verdomme… een kogel door zijn boerse kop jagen…” Wat een vrouw! Ze werd vuurrood, haar ogen schitteren.. Ze heeft de uitdaging aangenomen! Eerlijk, ik heb nog nooit van mijn leven zoiets gezien…
Het Aanzoek
Tot groot ongenoegen van haar vader, blijft Natalja Stepanovna maar kiften met de buurman over een stukje grond. Totdat ze doorkrijgt dat de buurman eigenlijk langs was gekomen om een aanzoek te doen.
Het Jubileum
Sjipoetsjin, bankdirecteur, bereidt zich voor op zijn jubileum. Alles is — door hemzelf — geregeld, en de aandeelhouders kunnen ieder moment arriveren. Maar eerst komt zijn vrouw terug van een bezoekje aan haar moeder, en komt mevrouw Mertsjoetkina bedelen om het ingehouden loon van haar zieke man.
Over de schadelijkheid van tabak
Njoechin houdt op verzoek van zijn vrouw een lezing. Hij zou het eigenlijk gaan hebben over de schadelijkheid van tabak, maar gaandeweg wordt het meer een klaagzang over zijn huwelijk en zijn vrouw.
Waarheen? Geeft niet waarheen… Als ik maar weg ben van dit ellendige, platvloerse, waardeloze bestaan, dat mij tot een oude zielige dwaas, een oude zielige idioot gemaakt heeft, weg van dat domme, bekrompen, gemene, gemene, gemene gierige kreng, weg van mijn vrouw, die mij drieĆ«ndertig jaar gekoeioneerd heeft, weg van die muziek, weg van die keuken, van het geld van mijn vrouw, van al die platte futiliteiten… en ergens heel ver in het vrije veld blijven staan, als een boom, als een pilaar, een vogelverschrikker, onder een wijde hemel en de hele nacht de stille heldere maan boven je zien en vergeten, vergeten…
Vrouwen komen er niet best af, maar — op z’n Tsjechovs — de mannen eigenlijk ook niet zo.