In het Spanje van de Reconquista en de Inquisitie, in 1487, sterft de Joodse geleerde Aben Baruel in een autodafe. Voor zijn dood heeft hij een brief geschreven naar zijn vriend, mede-kabbalist Samuel Ezra, met informatie over de vindplaats van het saffieren boek, een tablet dat volgens overlevering door God zelf, via Henoch, aan de mensheid is geschonken en waarmee God in tijden van nood communiceert met de mensen. Maar Samuel ontdekt al snel dat hij niet de hele puzzel heeft; andere delen zijn door Aben Baruel in hande gegeven van een Islamitische schriftgeleerde en een monnik. Niet altijd tot hun eigen genoegen, zijn de drie tot elkaar veroordeeld om het boek te vinden. En aangezien dat boek misschien uitsluitsel geeft over de ware godsdienst, willen ze het alledrie graag vinden. De leider van de Inquisitie, die ook lucht krijgt van hun queeste, wil het boek ook in handen krijgen, om de boodschap — indien hem ongewelvallig — te onderdrukken, zelfs als het een rechtsstreeks bericht van God is.
De puzzel zelf, op basis van teksten uit verschillende religieuze boeken, ging vaak aan mij voorbij en leek me soms nogal vergezocht. Het boek heeft me wel een inkijkje gegeven in een stuk Spaanse geschiedenis waar ik ooit op de lagere school natuurlijk wel over heb gehoord (en dan vooral de Nederlandse kant ervan) maar waar ik erg weinig van wist.