Tibor is een dwerg; hij zwerft door midden-Europa en voorziet in zijn onderhoud door het spelen van schaak. Op en dag wordt hij aangesproken door Wolfgang von Kempelen, wetenschapper en functionaris aan het Oostenrijks-Hongaarse hof. Von Kempelen wil de keizerin versteld doen staan met een schaakautomaat, om daarmee roem te vergaren en vooral ook steun en fondsen voor andere uitvindingen, zoals zijn spraakmachine. Zo’n schaakautomaat is helemaal niet te bouwen, en daarom wil hij dat Tibor zich verstopt in de machine, als ‘brein’, om hem te bedienen. De schaakautomaat is een groot succes; zo groot, dat ze het niet bij een eenmalig optreden voor de keizerin kunnen laten. Maar met elk optreden neemt de kans toe dat iemand het geheim van de Schakende Turk ontdekt, en er is Von Kempelen steeds meer aan gelegen om dat te voorkomen.
“Ich wusste es damals selbst nicht. Aber ich hatte mir vorgenommen, eine aussergewöhnliche Maschine zu schaffen. Ich bin nicht nur Hofrat, musst du wissen; ich verfüge auch über Kenntnisse auf dem Gebiet der Mechanik. Ich wollte der Kaiserin ursprünglich eine Maschine bauen, die sprechen kann.”
“Aber das geht nicht,” wandte Tibor unwillkürlich ein.
Ritter von Kempelen lächelte und schüttelte den Kopf, ganz so, als hätten vor Tibor schon viele ebenso reagiert. “Naturlich geht es. Ich werde der Welt einen Apparat bauen, der so deutlich spricht wie ein Mensch, und zwar alle Sprachen dieser Welt. Aber ein halbes Jahr ist für diese Herakles-arbeit zu knapp; das habe ich begriffen. Die Zeit reicht nicht einmal aus, die vielen Materialien zu beschaffen und zu erproben. Und eine Kaiserin lässt man nicht warten. — Deshalb werde ich eine andere Maschine bauen.’ Kempelen nahm die rote Dame aus seiner Westentasche und stellte sie zu den anderen Figuren. ‘Eine Schachmaschine.’
Kempelen genoss Tibors fragenden Blick und setzte dann nach: ‘Einen Automaten, der Schach spielt. Eine Maschine, die denken kann.’
‘Das geht nicht.’
Kempelen lachte, während er aus seiner Weste einen Bogen Papier nahm und entfaltete. ‘Das sagtest du eben schon. Und diesmal hast du recht. Eine Maschine wird nie Schach spielen können. Theoretisch ist es möglich, aber in der Praxis…’
De auteur verklaart in zijn nawoord nadrukkelijk dat hoewel Von Kempelen en zijn - onechte - schaakautomaat echt hebben bestaan, Tibor en de gebeurtenissen uit het boek zijn ontsproten aan zijn verbeeldingskracht. Na de eerste 50 bladzijden was ik er niet van overtuigd dat ik deze hele pil in het Duits uit zou lezen, maar uiteindelijk was het toch wel zo boeiend dat dat is gelukt. Met genoegen, zelfs.
Kempelen is in de taalkunde bekend als een van de vroege grondleggers van de fonetiek: hij heeft daadwerkelijk een machine gebouwd die de functionaliteit van het menselijke spraakorgaan behoorlijk goed imiteerde. De machine kon spraak uitvoeren, maar niet echt spreken, want hij had — net als de schaakautomaat — geen denkvermogen. En tegenwoordig weten we dat het denkvermogen dat nodig is om een computer te laten schaken, een peuleschil is in vergelijking tot het vermogen dat nodig is om een computer taal te laten beheersen.